|
inleiding |
reisverhaal |
gastenboek |
menu
begin reisverhaal | vorige pagina | volgende pagina |
  | |
28 augustus 2003Na twee relax-dagen achter de rug te hebben, moet er vandaag maar weer eens wat gedaan worden. Het weer is weer wat minder, dus nog een dagje strand klinkt niet echt aanlokkelijk. Na wat op de kaart en in het ANWB boekje gekeken te hebben, besluiten we naar Le Chateau te gaan. Le Chateau en Saint Pierre gingen samen de strijd aan om hoofdstad van Ile D'Oléron te worden. Le Chateau is het uiteindelijk niet geworden, maar het is nog steeds een van de balangrijkste plaatsen van het eiland. De oude vestingstad dankt zijn naam aan de fortificaties die er in de 11e eeuw gebouwd zijn om Brouage en Rochefort te beschermen. De haven van Le Chateau wordt vandaag de dag nog steeds intensief gebruikt door oestervissers vanwege de ligging van de haven aan de Estran. De Estran, het zeegebied tussen Bourcefranc en de punt van het eiland, herbergt de voornaamste oesterbedden. Met hun platte vaartuigen, plates genaamd, varen de vissers tijdens eb naar de oesterbedden om de oesters die de vereiste leeftijd van vier jaar bereikt hebben op te halen. Na het ontbijt stappen we de auto in en rijden we naar Le Chateau. Onderweg belt Jeroen nog even met z'n ouders om te laten weten hoe het gaat en te vragen hoe het in Nederland is. Wanneer zijn moeder hoort dat we op weg naar Le Chateau zijn, vertelt ze dat ze er een jaar of acht geleden ook geweest is. Jeroen was daar toen ook bij, niet dat hij zich dat kan herinneren. Marijke vertelt wat meer over die dag en langzaam komen bij Jeroen de herinneringen weer terug. Hij heeft samen met z'n broer Pieter bij de citadel van Le Chateau op de djembé (Afrikaanse trommel) gespeeld met een groep Afrikanen. Jeroen had er toen één gekocht en kreeg samen met Pieter gelijk wat muziekles. 's Avonds mochten ze terug komen en hebben ze allebei meegedaan aan een optreden. Er werd gedanst en muziek gespeeld. Ook was er Afrikaans eten en kraampjes met Afrikaanse kleding, instrumenten en kunst. ![]() Enthousiast geworden van de verhalen, rijden we in Le Chateau gelijk door naar de citadel. Maar... het is er ongeveer uitgestorven. Geen gezellige drukte, geen kraampjes, geen muziek, geen avondoptreden. Wat we wel te zien krijgen is een kale citadel met een zwaar bewolkte lucht erboven. Oke, dit klinkt misschien wel negatiever dan het is, want de citadel en Le Chateau zijn zeker de moeite van een bezoek wel waard, maar wij hadden wat meer verwacht door de verhalen. Het kasteel van Oléron ligt op de zuidwestelijke punt van het eiland en werd beschouwd als een belangrijke strategische plaats voor de verdediging van het nauw van Antioche. Het kasteel is in twee fasen gebouwd. Het oudste gedeelte dat langs de kust staat komt uit 1630 en is gebouwd door Pierre d' Argencourt. Vanaf 1673 heeft de ridder van Clairville dit uitgebreid naar het ontwerp van Vauban. Het kasteel bestaat hiermee uit twee delen; de citadel voor militaire doeleinden en de stad binnen de muren als onderkomen voor de bevolking. De Citadel werd op de ruïnes van een middeleeuws kasteel gebouwd dat in 1621 was afgebroken. Ten tijde van de Franse revolutie is het kasteel gebruikt als gevangenis en pas in 1939 vertrok de laatste soldaat uit het kasteel. Tijdens bombardementen van de Tweede Wereld Oorlog is het kasteel behoorlijk beschadigd geraakt. Geografische coordinaten Le Chateau D'Oléron: 45°53'20" N / 01°11'40" W We lopen wat rond over het terrein van de citadel. Dan ontdekken we in de hoek van de citadel een klein historisch museum. Die vereren we dan ook met een bezoek. Ze hebben gelukkig op A4'tjes wat informatie in het Engels staan (onze Frans is niet zo best), dus dit maakt het museum gelijk een stuk interesanter. De tentoonstelling gaat over de oude Franse koloniëen, met name in Amerika en Canada. Er worden veel foto's, schilderijen, reproducties van documenten en poppen in verschillende (militaire) kledingstijlen getoond. Ook staan er twee schitterende glas-in-lood ramen gemaakt door Nicolas Sollogoub. Wanneer we het museum gezien hebben, lopen we naar het centrum van Le Chateau. Het dorpje is volgens de reisgids erg leuk, maar het valt ons wat tegen. Het is inmiddels ook gaan regenen en dat maakt weinig dorpjes er mooier op. Door de regen lopen er nauwelijks nog mensen door de straten van Le Chateau en dit alles geeft het dorp een beetje een verloren indruk. We zoeken dus zo snel mogelijk een terrasje op om wat te drinken en te wachten totdat het stopt met regenen. In het eerste de beste overdekte terras dat we vinden gaan we zitten. Vrijwel direct komt een serveerster naar ons toe en vraagt wat we willen eten, dus geven wij aan dat we alleen wat willen drinken. Oeps... dat komt dus niet goed aan. Er staat namelijk duidelijk RESTAURANT op de gevel, dus er moet ook wat gegeten worden. Als we alleen wat willen drinken dan mogen we dat ergens anders doen. Nu snappen we best dat als het druk is je liever mensen op je terras hebt die ook wat eten, maar... van het hele terras was maar één andere tafel bezet. De straten zijn verder verlaten, dus echt veel gasten hoeven ze ook niet meer te verwachten. Echt een voorbeeld van de Franse logica. We staan dus maar op en lopen door naar een ander terras. ![]() Even later stopt het gelukkig weer met regenen. We lopen langs de haven terug naar de auto, want we hebben zo wel genoeg gezien van Le Chateau. Onderweg zien we in de haven enkele oestervissers bezig de door hun gekweekte oesters te verzamelen. De oesters zitten aan smalle palen vast en worden er door de vissers vanaf gehaald door een stalen ring met handvat snel over de paal heen te trekken. De oesters worden zo van de paal afgeslagen en vervolgens in manden verdeeld. Nooit geweten dat oesters op deze manier gekweekt worden, dus het is interessant om te zien. We staan zodoende een aardig tijdje te kijken naar de vissers die hard aan het werk zijn. ![]() Oléron heeft achtereenvolgens drie oestersoorten gekend. Oorspronkelijk groeide er de platte oester (ostrea edulis) die al beroemd voor de smaak was ten tijde van de Romeinen. Maar in 1821 heeft een virus de oesterbedden uitgeroeid. In 1868 heeft een schip genaamd "Morlaisien" per ongeluk de Portugese oester (gryphea angulata) geintroduceerd. Het schip moest vanwege een storm haar lading oesters in zee dumpen. De oesters konden snel wennen aan de nieuwe grond en verspreiden zich in korte tijd over de Estran. Honderd jaar later werden de oesterbedden weer getroffen door een virus. Men is toen in Japan op zoek gegaan naar de huidige soort, de Japanse oester (crassostrea gigas) die makkelijker te kweken is. De oesters worden gekweekt aan de westkust van het eiland. In 1990 was de oester opbrengst niet minder dan 55.000 ton. Vanuit Le Chateau rijden we door naar Saint Pierre, de hoofdstad van Ile d'Oléron. Wanneer we daar aankomen, begint de zon weer wat te schijnen. Dat vrolijkt het dorp en ons gelijk op. Naast de parkeerplaats is een toeristeninformatiekantoor, dus daar lopen we gelijk maar even naar binnen om te vragen wat er allemaal voor interessants te zien is in Saint Pierre. We krijgen een kaart mee, waarmee we vervolgens het centrum inlopen. Hier is het gezellig druk, in tegenstelling tot de lege straten in Le Chateau. Wat een zonnetje al niet voor een verschil kan uitmaken. Saint Pierre was in de vorige eeuw het centrum van de handel in zout en brandewijn vanwege de centrale ligging en de geringe afstand tot de havens van La Cotinière en Boyardville. Saint Pierre is de hoofdstad van Ile D'Oléron. Terwijl we slenteren door de gezellige winkelstraatjes staan we ineens voor de kerk van Saint Pierre. Deze bekijken we van binnen en van buiten. Daarna willen we ook de trap naar boven nemen. We kopen een kaartje en worden door de kassa juffrouw gewaarschuwd voor een kapot lampje ongeveer halverwege de trap. Ze had ons, achteraf gezien, voor wel veel meer dingen mogen waarschuwen. ![]() We lopen de stevige stenen trap op met onze handen aan de leuningen links en rechts. Als snel houden de leuningen op en zo'n beetje op het zelfde moment komen we het uitgevallen lampje tegen. We klimmen rustig verder in het schemerlicht van het volgende lampje. De stenen treden veranderen dan in niet zo stevige houten treden. Even later komen we uit op een klein plateau waar een houten trapstellage begint. We nemen de trap, maar twijfelen of we wel goed lopen op het moment dat we twee enorme kerkklokken vlak boven ons hoofd tegenkomen met de tekst "votre tete est dure la cloche" oftewel "je hoofd is niet zo hard als de bel" (zie foto). Omdat we niet echt een andere kant op kunnen, lopen we maar door. We wurmen ons voorzichtig langs de klokken. Boven aan deze trap komen we nog een plateau tegen waar we alleen een losse houten trap zien die ons door een luik in het plafond leid. We klauteren door het luik heen en staan dan op het dak van de toren, waar gelukkig wel een stevig hekje omheen staat. Hier vandaan hebben we een erg mooi uitzicht over Saint Pierre. We kunnen de straatjes waar we net nog doorheen gelopen hebben identificeren. Erg leuk. Na nog wat door Saint Pierre gelopen en een ijsje gegeten te hebben, rijden we met de auto weer terug naar de camping. We hebben weer veel gezien en gedaan vandaag. |
||
|
begin reisverhaal | vorige pagina | volgende pagina |